De werkelijkheid van buiten naar binnen

Lútsen Kooistra

In 1524 verscheen het eerste boekje met kerkliederen van Martin Luther. In 1523 en 1524 had hij enkele tientallen liederen gemaakt. Die werden afzonderlijk gedrukt en verspreid, totdat het eerste liedboek verscheen. In dat boekje is opgenomen het kerstlied Gelobet seist du Jesu Christ – ‘U Jezus Christus loven wij’, lied 142 in het Liedboek voor de kerken (1973). Het lied vindt zijn oorsprong in een middeleeuwse zogeheten ‘leis’, een lied in de volkstaal door de gelovigen gezongen, afgesloten met het refrein kyrie eleison (Heer erbarm u). De bedoelde leis was er waarschijnlijk al voor het jaar 1000. Luther baseerde het eerste couplet op deze leis; de overige zes coupletten zijn van Luther zelf. Hij handhaafde het refrein: kyrie eleison.

Het lied is de basis van een van de cantates die Bach maakte voor eerste kerstdag (BWV 91), voor het eerst uitgevoerd op 25 december 1724. De evangelielezing was Lucas 2: 1-14, over de geboorte van Jezus.

Het is een bijzondere ervaring te bedenken hoe het lied honderden jaren heeft gefunctioneerd in de kerkdiensten en daarbuiten. Dat geldt temeer als wordt bedacht dat het eerste couplet in andere vorm nóg veel ouder is. Dit lied verbindt mensen ‘van alle eeuwen en plaatsen’. Die gedachte heeft op zichzelf een betekenis: al die mensen die met en uit dit lied hebben geleefd, hebben getuigd van hun geloof. Zij zijn ons voorgegaan en roepen ons op om samen met hen mee te zingen in het immense koor van geloofsgetuigen.

Het lied is in meerdere opzichten bijzonder. Bijvoorbeeld omdat de liedtekst parallel loopt met de tekst van de geloofsbelijdenis van Nicea (in de Nederlandse vertaling is dat minder precies). In beide gaat het over Jezus als enige zoon van God, over het licht, over de wezensgelijkheid van Jezus met de Vader, over de schepping/onderhouding van de wereld, over het komen van Jezus in de wereld, over de maagd Maria en over de menswording.

Godverlatenheid

Het centrum van het oorspronkelijke (Duitse) lied wordt gevormd door de woorden in het vierde couplet: ‘midden in de nacht’. Daarmee wordt gedoeld op het tijdstip van de geboorte van Jezus, maar vooral op de godverlatenheid waarin mens en wereld zich bevonden.

Tegenover dat donkere midden in het hart van het couplet staan woorden over het licht. Die verwijzen naar het evangelie van Johannes (1:9): het ware licht dat ieder mens verlicht, dat naar de aarde kwam. ‘Het (licht) maakt ons kindren van het licht.’ Het couplet getuigt van nog meer licht: het licht dat de wereld een nieuw aanschijn geeft en het licht dat het nachtelijk duister voor de herders verdreef.

Luther doet in dit lied geloofsuitspraken. Onder de vanzelfsprekendheid van bekende woorden en termen ligt een diepe overtuiging. De oorspronkelijke tekst zegt over de geboorte uit een maagd: ‘dat is waar’ (eerste couplet). Hiermee wordt gezegd: die geboorte is geen verhaaltje, maar de werkelijkheid, het is een objectief gegeven. Later komt de wending: de objectieve gebeurtenis van de geboorte is voor óns geschied. Daarmee wordt de gebeurtenis ‘onze’ gebeurtenis: de werkelijkheid ‘buiten’ ons wordt de werkelijkheid ín ons. Deze beweging is de kern van het kerstfeest en is de reden voor een vreugde die alles te boven gaat.