Taede Smedes zoekt zijn weg in de geloofstaal

Recensie
Tjerk de Reus

Raken we ook de taal van het geloof kwijt, als we afscheid hebben genomen van het geloof in een persoonlijke God? Voor Taede Smedes en veel anderen ligt hier een uitdaging.

De titel van het nieuwe boek van Taede Smedes (1973) heeft een opvallende titel: God, iets of niets? Dit klinkt een beetje als: wat moeten we nog met het idee ‘God’? Maar er wordt toch iets anders bedoeld door Smedes, die als godsdienstfilosoof naam maakte met publicaties over God, schepping en evolutie.

Het gaat hem niet om God als Schepper van deze wereld, die mensenlevens leidt en een persoonlijke relatie onderhoudt met zijn schepselen. Dat plaatje is voor Smedes passé. Maar houd je dan helemaal niets over? Nee, zegt Smedes. Dit wordt soms beweerd, maar hij vindt het onjuist. Net als veel anderen heeft hij de ervaring dat het mensenleven méér is dan een flakkering van de materie in een doelloos evolutieproces. Dat ‘meer’ is bijvoorbeeld het besef dat je ‘gedragen’ wordt en dat er een geheim is dat ons ‘omgeeft’ en ‘overstijgt’. Dat geheim kunnen we niet kennen, maar we voelen ons er wel door aangesproken, zelfs door iets als een ‘stem’. In zijn nieuwe boek zoekt Smedes ruimte om over deze zaken te kunnen spreken, op het veld van de theologie.

Verlies

Het thema dat Smedes aansnijdt is relevant. Tal van mensen ervaren verlies als het gaat om kerk en geloof. Hoe ga je om met dat verlies? Kun je er ook ‘winst’ van maken, en dus een stap vooruit zetten, in plaats van treurend achterom te kijken? Dat dit niet eenvoudig is, maakte eerder dit jaar de filosoof Paul van Tongeren duidelijk in een bescheiden boekje over ‘dankbaarheid’. Van Tongeren vraagt zich daarin af wat je aan moet met het gevoel van dankbaarheid dat je overvalt, bijvoorbeeld als er een baby wordt geboren. Als God niet het adres van die dankbaarheid is, hoe moeten we die dankbaarheid dan begrijpen? Wie ben je dan dankbaar? Blijkbaar duwt de taal ons in de richting van een hogere macht of een omvattende bron van liefde – die in het christendom als God aanbeden wordt.

Hoewel Smedes stevig argumenteert in zijn boek, gaat zijn betoog ten diepste over taal en over beelden waarmee we ervaringen van ‘het hogere’ kunnen uitwisselen. Dat het nauw luistert, wordt meteen duidelijk bij een uitdrukking als ‘het hogere’. Smedes vindt dat dit per se niet mag gaan over een soort werkelijkheid buiten de onze, vanwaaruit God zich inlaat met mens en wereld. Dat concept is versleten en ongeloofwaardig. Smedes vindt dat de ervaringen van ‘het hogere’ iets zijn ‘van beneden’, en dat noemt hij ‘immanente transcendentie’. Hij zoekt het dus in onze eigen levenservaring en in de werkelijkheid waarin we ons bevinden. Daar ervaart hij ‘het heilige’, en dat inspireert hem.

Het lastige punt is, dat je zo moeilijk iets kunt zeggen over dergelijke ervaringen van ‘het heilige’. Voor je het weet, wek je de suggestie dat er daadwerkelijk iets heiligs in het spel is, iets van hogere orde, iets dat buiten ons bestaat. Tegen die suggestie treedt Smedes steeds streng op, want hij wil niet weer verstrikt raken in het traditionele geloof in een almachtige Schepper. Maar zijn eigen woorden herinneren daar toch wel aan. We bevinden ons in ‘een heilige ruimte’, schrijft hij, de werkelijkheid is ‘sacramenteel’, en dat wekt bij ons gevoelens van ‘ontzag’ en ‘eerbied’ op.

Je zou zeggen, dat lijkt erg op kerktaal. Maar om deze noties ‘puur’ te houden, onderstreept Smedes het belang van de stilte. We vermoeden, met eerbied en ontzag, dat er een geheim schuilgaat in ons bestaan, maar we weten er niets van af en moeten daarom zwijgen. Dan kan de stilte een soort medium worden waarin we dat diepere geheim kunnen proeven. Smedes mikt dus op ervaring en besef, want expliciete woorden maken het alleen maar kleiner.

Concrete godsbeelden

Smedes voelt zich aangesproken door de filosoof C. Verhoeven, die het beeld schetst van een ‘lege plek waaromheen zinzoekers zich verzamelen’. Concrete godsbeelden zijn hier niet meer welkom, omdat die de stilte verstoren. Als Smedes dit in eigen woorden probeert te vangen, klinkt het zo: we worden door elkaar tegengesproken en onderbroken, zodat er ‘stiltes vallen, waarin de leegte van de stilte haar volheid kan openbaren en tastbaar doet worden en haar roep tot actie doet klinken, in het hier en nu’. Verrassend hoe hier de taal de regie overneemt van het logische argumenteren: de stilte is ‘iemand’ geworden, die openbaart, handelt en roept. Paradoxaal, inderdaad, en aan die paradox wil Smedes niet ontsnappen.

Goed, iets of niets? De post-seculiere maatschappij tussen geloof en ongeloof. Taede A. Smedes. Uitgeverij Amsterdam University Press. 19,95 euro