Kerk was in de oorlog geen plek van systematisch verzet, wel vrijplaats

Interview
Tjerk de Reus

Maandag 1 juni werd het boek God in de oorlog gepresenteerd, een omvangrijke studie naar de rol van de kerk in Europa, in de jaren 1939-1945. Historicus Jan Bank is de auteur van dit informatieve boek.

Het nieuwe boek van emeritus hoogleraar Jan Bank (1940) is een bron die je laat duizelen van historische feiten, ontwikkelingen en interpretaties. In zijn boek God in de oorlog brengt hij kerken uit heel bezet Europa in beeld, van calvinistisch en luthers tot katholiek en oosters-orthodox. De reactie van kerken op de oorlogsomstandigheden is nogal veelkleurig, en natuurlijk ook gevoelig en zelfs pijnlijk. Het is veelzeggend dat Bank zijn boek afsluit met de verwerking van de Holocaust door de kerken, vele decennia na de oorlog. In 1998 formuleerde de Katholieke Kerk een verklaring waarin erkend werd dat het kerkelijke protest tegen de Jodenvervolging ‘niet datgene was wat mocht worden verwacht van de volgelingen van Christus’. Het brengt Bank, zelf katholiek opgegroeid, tot deze conclusie: ,,Het christelijk geloof bleek in de Tweede Wereldoorlog geen bron van systematisch verzet.” Toch stelt hij ook vast dat de kerk tijdens de oorlog wel een opmerkelijke ‘vrijplaats’ was, waar men niet alleen troost vond in de moeilijke omstandigheden, maar ook dingen hoorde die je via de officiële berichtgeving niet te weten kwam.

Hoe stelden de kerken in Nederland zich op gedurende de oorlog?

,,De samenwerking tussen hervormden en katholieken was uniek. Die twee trokken samen op en lieten een oecumenisch protest horen. Ook de gereformeerden sloten zich daar bij aan, maar bij hen kostte dat wel even moeite. De theoloog H.H. Kuyper – de zoon van Abraham Kuyper – was een belangrijke figuur in de gereformeerde wereld en hij was voorstander van een zekere aanpassing aan de wensen van de Duitsers. In het Convent van Kerken, dat de contacten met het bezettingsregime regelde, moest in Kuypers plaats eerst een ander, de jurist J. Donner, worden benoemd, voordat de gereformeerden helemaal meekonden met de kritische uitspraken van de hervormden en andere protestantse kerken.”

,,Elders in Europa kom je nauwelijks iets vergelijkbaars tegen. In Noorwegen protesteerden de kerken ook wel gezamenlijk, maar de Noorse staatskerk was zo groot en dominant dat de rest zich er als vanzelf bij aansloot. Het is opvallend dat de Nederlandse kerken zich zo expliciet uitspraken en zelfbewust hun kritiek formuleerden op de Duitse bezettingsmacht. Dat was voor de gewone kerkganger merkbaar in de kanselboodschappen. Aanvankelijk was er enige terughoudendheid, want je wist natuurlijk niet of je het wel kon maken, protest laten horen. Zeker bij de hervormden vond al snel een omslag plaats, toen het Duitse bewind zich harder begon op te stellen. Daarna lieten alle protestantse kerken – minus de bevindelijk-gereformeerden – maar ook de katholieke hun neutraliteit achter zich, om duidelijk positie te kiezen.”

Protesteerden de kerken ook tegen de Jodenvervolging?

,,Toen in de zomer van 1942 de deportaties van de Joden in volle gang waren, stuurden de kerken een telegram aan Seyss-Inquart, die echter niet reageerde. Toen lieten ze hem weten: ‘Bij geen reactie lezen we het telegram voor op de kansels.’ Seyss-Inquart was woedend en dreigde met maatregelen, waarop de hervormden terugdeinsden. Maar de katholieken lazen het telegram wel publiekelijk voor, evenals de gereformeerden. Het gevolg was dat Seyss-Inquart alle katholiekgedoopte Joden, die tot dan toe waren ontzien, liet arresteren en deporteren. Dus de moed van de katholieken en gereformeerden leidde rechtstreeks tot harde represailles. Het gevolg daarvan was weer dat paus Pius XII de afweging maakte om zich definitief niet openlijk tegen Jodenvervolging uit te spreken. De paus, toch al diplomatiek, vreesde dat kritiek contraproductief zou werken. In België werd ook die afweging gemaakt door sommige bisschoppen, maar met een ander effect: laten we het zwijgen ertoe doen, maar ondertussen een helpende hand (laten) uitsteken.”

Wat deed die openlijke kritiek op de bezettingsmacht, die je geregeld in de kerk hoorde, met de kerkgangers? Maakte het hen weerbaar?

,,Daarin valt niet een dominante lijn te ontdekken. Hoe mensen omgingen met de dreiging en of ze de moed hadden onderduikers in huis te nemen, is een kwestie van individuele gevallen. Natuurlijk zou je kunnen veronderstellen dat vanuit het beginsel van naastenliefde veel hulpbetoon zou ontstaan. Dat is ook zeker het geval geweest, maar niet overal. Joden en onderduikers werden ook geholpen door niet-christenen, terwijl sommige christenen van mening waren dat de Joden deze ellende eigenlijk over zichzelf hadden afgeroepen: het aloude motief van de ‘moordenaars van Christus’.”

,,Hoe er op de oorlogssituatie is gereageerd vanuit de kerken en door kerkleden, lijkt nauwelijks samen te hangen met de theologische achtergrond van de specifieke kerken. Dat valt op als je kijkt vanuit een Europees perspectief. Maar het staat wel vast dat de kerken in de bezettingstijd fungeerden als gemeenschappen waarin je informatie te horen kreeg die elders niet meer gecommuniceerd mocht worden, waar men elkaar onderling kon bemoedigen en waar initiatieven genomen konden worden voor hulp aan onderduikers. Dat is ook de reden, vermoed ik, dat de kerken in die jaren relatief vol zaten.”

In een recente studie is de rol van de bevindelijk-gereformeerde ds. G.H. Kersten aan de orde gesteld; hij wilde gehoorzaam zijn aan de Duitse overheid, op grond van een specifieke geloofsvisie.

,,Dominee Kersten beschouwde de bezetting als een straf van God. Als je daarop alle nadruk legt, is er weinig ruimte voor verzet. Toch zie je bij vergelijkbare geloofsgroepen, zoals de waldenzen in Italië en de baptisten in de Oekraïne – die ook in een zeker isolement leefden, met een min of meer piëtistische inslag – dat er tóch bereidheid was om een veilig haven te zijn voor Joden. Natuurlijk doet een theologische opvatting ertoe, maar onder druk van de omstandigheden kwam men er soms toe een andere koers te varen. De staatskerk in Noorwegen dacht altijd sterk in de lijn van de visie van Maarten Luther, die had gesteld dat de kerk het ‘geestelijke rijk’ vormde, niet te verwarren met het ‘wereldlijke rijk’ van politiek en macht. Deze visie staat bekend als de Twee Rijken-leer. Toch koos de Lutherse kerk in Noorwegen voor een losmaking uit het staatsverband en dus voor een politiek profiel, toen de nazi-premier Quisling in de loop van de oorlog de duimschroeven aandraaide. Bij iemand als Kersten zou je eerder zoiets verwachten, want in de traditie van het calvinisme heeft het ‘recht op verzet’ al heel oude papieren. Denk aan ons volkslied. Respect voor de wettige overheid sluit verzet niet uit als deze overheid zich aan tirannie schuldig maakt.”

Kortom, het ligt dus heel divers, hoe christenen reageerden op de bezetting.

,,Alle kerken hebben geworsteld met vragen rond oorlog, bezetting, collaboratie en verzet. Dat is het gemeenschappelijke. Maar de antwoorden zijn allemaal verschillend. In kloosters in België zijn bijvoorbeeld vrij veel onderduikers opgenomen, terwijl er ook gevallen bekend zijn dat kloosters juist weigerden mensen onderdak te bieden. Als je heel het beeld overziet, luidt de conclusie dat er geen vast patroon valt te ontdekken. Het christelijk geloof als zodanig produceert geen systematisch verzet. Ook leidt het niet per se tot gelatenheid of collaboratie. Wat de doorslag geeft, is veelal de moed en het initiatief van individuele personen en soms van gemeenschappen.”

God in de oorlog. De rol van de kerk in Europa 1939-1945. Jan Bank. Balans, 49,95 euro.